De SER-Ladder staat niet in de weg aan uitbreiding

11 maart 2014

door: Simon Tichelaar

In artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de zogenoemde “Ladder van duurzame verstedelijking” opgenomen. Deze Ladder staat in de praktijk beter bekend onder de naam “SER-Ladder” en moet voor een goede ruimtelijke ordening zorgen in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Concreet betekent dit dat gemeenteraden bij (bijvoorbeeld) de vaststelling van een bestemmingsplan, steeds een aantal stappen moeten doorlopen voordat zij stedelijke ontwikkelingen – zoals bijvoorbeeld woningbouw – mogelijk kunnen maken. De stappen zijn schematisch weergegeven in de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu
 
 

De laatste tijd wordt in beroepsprocedures tegen bestemmingsplannen veelvuldig betoogd dat de gemeenteraad ten onrechte de voormelde stappen niet of niet correct heeft doorlopen en dat het besluit tot vaststelling van het desbetreffende bestemmingsplan derhalve moet worden vernietigd. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“ABRvS”) kunnen een tweetal aspecten worden afgeleid waarmee rekening moet worden gehouden bij het doorlopen van de Ladder.

Inbreiding of uitbreiding?
In deze zaak was een bestemmingsplan vastgesteld in verband met een beoogde uitbreiding van de bestaande kern Goudswaard (gemeente Korendijk). Het bestemmingsplan voorzag in de mogelijke bouw van 46 nieuwe woningen, een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een multifunctionele accommodatie (“MFA”) en de mogelijkheid tot aanleg van bijbehorende ontsluitingswegen. De Afdeling oordeelt allereerst dat er een actuele regionale behoefte bestond aan de woningenbouw die in het bestemmingsplan mogelijk werd gemaakt. Vervolgens kwam de vraag aan de orde of die woningenbouw niet door inbreiding of transformatie binnen het bestaand stedelijk gebied – in plaats van door uitbreiding van de bestaande kernen – kon worden gerealiseerd. De Afdeling oordeelt in dat verband dat niet eerst alle (mogelijke) inbreiding- en transformatielocaties moeten zijn bebouwd, voordat tot uitbreiding kan worden besloten. Mits deugdelijk gemotiveerd mag een gemeenteraad er dus voor kiezen om uitbreiding mogelijk te maken voordat alle inbreidings- en transformatielocaties zijn benut. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als binnen bestaand stedelijk gebied de gewenste “ruimte opzet” van de voorgenomen woningbouw niet mogelijk blijkt.

Kortom, gemeenten kunnen uitbreiden, voordat alle inbreidingslocaties zijn benut. Dit is een belangrijke vingerwijzing voor de gebiedsontwikkelingspraktijk. Voorwaarde is wel dat de regionale behoefte is aangetoond en dat een dergelijk besluit tot uitbreiding deugdelijk wordt gemotiveerd.

Wijzigingsplan
Een ander interessante overweging in deze zaak is dat bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid die nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, al inzicht moet worden gegeven in de vraag of binnen de planperiode met een regionale behoefte aan de mogelijk te maken ontwikkeling rekening moet worden gehouden en of deze ontwikkeling in het licht van de overige in de Ladder geformuleerde voorwaarden binnen het plangebied zal kunnen worden gerealiseerd. Achtergrond van dit oordeel is dat met de opname van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan, het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling kwam overigens in een andere zaak op dezelfde dag tot hetzelfde oordeel.

Meer weten?
Op donderdag 22 mei organiseren wij in samenwerking met Fakton de Ronde Tafel van SKa met als onderwerp: "Duurzame verstedelijking en de SER-ladder". Klik hier voor meer informatie en aanmelden.

 

Terug naar overzicht